Kort: was je handen, controleer of de lens niet binnenstebuiten zit, trek je onder- en bovenooglid open en zet de lens op je oog. Uitnemen doe je door de lens naar beneden op het wit te schuiven en hem tussen duim en wijsvinger te nemen. De eerste keren oefen je best bij je opticien.
Inzetten
- Was en droog je handen met een pluisvrije handdoek.
- Leg de lens op de top van je wijsvinger en controleer de kant: een goede lens heeft de vorm van een kommetje met rechte randen. Staan de randen naar buiten (een soepbord), dan zit hij binnenstebuiten. Sommige lenzen hebben een kleine markering die je dan in spiegelbeeld ziet.
- Kijk in een spiegel. Trek met de middelvinger van dezelfde hand je onderooglid naar beneden, en met de andere hand je bovenooglid omhoog.
- Zet de lens zacht op je oog. Je kunt recht vooruit kijken of iets omhoog.
- Laat de oogleden los, knipper rustig en kijk even rond. De lens centreert zich vanzelf.
- Begin steeds met hetzelfde oog, zo verwissel je je lenzen niet.
Uitnemen
- Was en droog je handen.
- Kijk omhoog, trek je onderooglid naar beneden en schuif de lens met je wijsvinger naar beneden op het wit van je oog.
- Neem de lens voorzichtig tussen duim en wijsvinger en haal hem eruit.
- Daglenzen gooi je weg. Andere lenzen verzorg je zoals in lenzen verzorgen.
Als het niet lukt
- De lens prikt of voelt vreemd: neem hem uit, spoel hem met lenzenvloeistof en controleer of hij niet binnenstebuiten zit of beschadigd is. Blijft het prikken, draag hem dan niet.
- Je vindt de lens niet meer: hij is vaak naar boven onder je ooglid geschoven. Kijk in de spiegel naar beneden en masseer zacht via het gesloten bovenooglid. Achter je oog kan een lens niet verdwijnen.
- Je ogen knipperen dicht: dat went. Oefen rustig, eventueel met hulp van je opticien.
- Lange nagels: zorg dat ze je oog of de lens niet raken.
Laatst bijgewerkt: 2 oktober 2026.